Binnen de agrarische sector kun je er vergif op innemen dat je met een familiebedrijf te maken hebt. Met één woon- en werklocatie, waarbinnen zowat alle taken zelfstandig worden uitgevoerd, zijn bedrijfsopvolgingsvraagstukken binnen het boerenbedrijf erg veelzijdig en complex. We spreken met Jelle Bouma van het Landelijk Expertisecentrum Familiebedrijven over het onderzoek naar agrarische bedrijfsopvolging en de grote rol die emoties spelen binnen dit vraagstuk.

Uit recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat er in de agrarische sector inmiddels zo’n 35.845 familiebedrijven actief zijn, wat neerkomt op 92 procent van de bedrijven binnen de agrarische bedrijfstak. “Specifieke problemen van familiebedrijven, zoals de bedrijfsopvolging, zijn dus erg geconcentreerd binnen deze sector”, legt Jelle Bouma uit. Als docent aan Hogeschool Windesheim en lid van het Landelijk Expertisecentrum Familiebedrijven is hij een expert op het gebied van bedrijfsopvolgingsvraagstukken. Recent onderzoek, uitgevoerd door het Landelijke Expertisecentrum Familiebedrijven van Hogeschool Windesheim, in samenwerking met Aerens Hogeschool Dronten, LTO Noord, NAJK en verschillende agrarische bedrijven, focust zich op dit opvolgingsvraagstuk.

Wat uit het onderzoek, dat hier kan worden gelezen, naar voren komt, is dat bedrijfsopvolgingsvraagstukken binnen de agrarische sector erg complex en veelzijdig zijn. Waar dit door komt? Bouma: “Binnen een boerenbedrijf voeren de familieleden alle taken zelfstandig uit, in tegenstelling tot familiebedrijven als Heineken. Daarnaast zitten de woon- en werklocatie op dezelfde plek, waardoor het onderscheid tussen werk en privé vervaagt.” Samen met vader aan de keukentafel wordt er al gauw over het bedrijf gepraat, terwijl de aangetrouwde partner zou willen dat het ook eens níét over werk kan gaan. Bouma:  “Familieleden hebben binnen de agrarische sector intensiever met elkaar te maken, de sociale banden gaan veel dieper dan bij familiebedrijven binnen andere branches.”

Psychologisch eigendom
Doordat wonen en werken elkaar binnen het boerenbedrijf overlappen, ontstaat er, naast de juridische variant, ook een vorm van psychologisch eigendom. Iemand heeft sterk het gevoel dat iets van hem of haar is, terwijl dit juridisch gezien niet (meer) het geval is. “Denk aan een agrarisch bedrijf waar inmiddels de derde generatie werkzaam  is, maar waar de eerste en tweede generatie elkaar behoorlijk in de weg hebben gezeten”, geeft Bouma een concreet voorbeeld. “Vader was inmiddels de eigenaar van het boerenbedrijf, maar grootvader voelde zich nog steeds vrij om op ieder moment van de dag het erf op te lopen en op de zolder van de boerderij rond te neuzen.” De eerste generatie had in emotioneel opzicht nog geen afscheid genomen van de boerderij, maar was in juridisch opzicht allang geen eigenaar meer. “Zoon vond het nog niet zo’n probleem, maar vooral zijn vrouw had er veel moeite mee dat haar schoonvader steeds in hún huis liep te snuffelen.”

Bedrijfsopvolging is dus veel meer dan alleen een bezoekje brengen aan de notaris, zeker in het geval van een boerenbedrijf hebben we het over een emotioneel proces van jaren. “We adviseren daarom om iedereen binnen de familie te betrekken bij het opvolgingsvraagstuk.” Want niet alleen de overdrager en de opvolger krijgen ermee te maken. Bouma:  “Binnen de agrarische sector verdwijnt op veel gebieden het onderscheid. Tussen werken en wonen, tussen werktijd en vrije tijd, maar ook tussen je rol als werkgever en werknemer, want ook dat ben je als eigenaar van het bedrijf allebei.” Waar bijvoorbeeld de aangetrouwde kant binnen het familiebedrijf ook de gevolgen van ondervindt. “De schoonfamilie zal veelvuldig over de vloer komen, dus is het wel fijn als schoonmoeder en -dochter goed met elkaar door één deur kunnen.” In de praktijk blijkt dit lang niet altijd het geval te zijn.

Meer aanbevelingen
Naast het advies om alle familieleden bij de opvolging te betrekken, zijn er nog een aantal aanbevelingen die het onderzoek de agrarische familiebedrijven mee wil geven. Deze hebben zowel een sociaal als een meer inhoudelijk karakter. Bouma: “Communiceer open en duidelijk richting alle betrokkenen over de bedrijfsopvolging. Dit kan door bijvoorbeeld een vast familie-overleg in te plannen.”

Het is daarnaast aan te raden om afspraken wat betreft de opvolging structureel vast te leggen in een familiestatuut, -convenant of -reglement. Een betrouwbare adviseur, die onafhankelijk de familiegesprekken begeleidt en in het geval van dreigende conflicten direct kan bijspringen, is in dit opzicht evengoed onmisbaar.

 


Het onderzoek ‘Agrarische bedrijfsopvolging: een project voor de hele familie’ is uitgevoerd door het Landelijk Expertisecentrum Familiebedrijven van Hogeschool Windesheim, Aeres Hogeschool Dronten, LTO Noord en NAJK. Dit gebeurde onder leiding van Ilse Matser, directeur van het Landelijk Expertisecentrum Familiebedrijven en Lector Familiebedrijven aan Hogeschool Windesheim.