Hoe groter de invloed van niet-familieleden op de strategie van een familiebedrijf, hoe beter het bedrijf in het buitenland presteert en hoe meer buitenlandse omzet het maakt. Voorwaarden voor succes over de grens zijn onder meer een goed functionerende arbeidsmarkt en veel interpersoonlijk vertrouwen in het betreffende land. Dat zijn enkele conclusies uit het rapport ‘Grenzen verleggen’ dat 20 februari jl. in Amsterdam werd gepresenteerd. Fambizz was er bij om de aanwezige experts het hemd van het lijf te vragen.

In deze onderzoeksstudie van het Erasmus Centre for Family Business (ECFB), BDO Accountants & Adviseurs en de Rabobank ligt de focus op de wijze waarop familiebedrijven internationaliseren. Ze blijken op het gebied van internationaal ondernemen allesbehalve conservatief. Meer dan 60% van de circa 270.000 Nederlandse familiebedrijven exporteert naar het buitenland; 70% investeert internationaal of heeft buiten de grenzen een financieel belang. Bijna 60% heeft zelfs één of meer dochterondernemingen in het buitenland.

Groeikansen en risicospreiding over de grens
Familiebedrijven hebben duidelijk baat bij het verleggen van hun grenzen. Zo boeken internationaal opererende familiebedrijven gemiddeld een brutomarge van 7,9% op hun omzet, tegen 4,8% bij familiebedrijven die alleen in eigen land zakendoen. Buitenlandse markten bieden niet alleen groeikansen en perspectief op een hogere omzet, maar maken ook meer risicospreiding mogelijk en bieden bedrijven kans om hun productlijn uit te breiden.

“Internationaal zakendoen is steeds makkelijker en aantrekkelijker geworden dankzij technologische ontwikkelingen en vrijere handel,” vertelt Pursey Heugens, professor Organisation Theory aan Rotterdam School of Management, Erasmus University (RSM) en directeur van het ECFB. Onderscheidend aan familiebedrijven is dat ze op zoek gaan naar duurzame relaties met gelijkgestemde partners. “Dat geeft ze vooral een strategisch voordeel in landen die focussen op de lange termijn,” aldus Heugens.

Externe geeft duwtje in de rug
In welke mate familiebedrijven inzetten op internationalisering hangt onder meer af van de mate van grip die familieleden graag op het bedrijf houden. “Bedrijven die ervoor openstaan om een aandeelhouder of bestuurder met expertise van buiten de familie te betrekken bij de strategie, zijn doorgaans meer internationaal actief dan concurrenten waar dat niet gebeurt,” stelt Joost Vat, partner bij BDO en specialist op het gebied van familiebedrijven. Ook de cultuur in het thuisland speelt volgens Vat mee: hoe groter het vertrouwen in buitenlanders, hoe eerder familiebedrijven geneigd zijn de grens over te gaan.

Uitdagingen arbeid en kapitaal
Familiebedrijven hebben niet altijd succes over de grens. Zo hebben ze bovengemiddeld veel last van een minder ontwikkelde arbeidsmarkt, bijvoorbeeld door een gebrek aan goede opleidingen. “Het schaarse talent kiest dan liever voor de gevestigde corporate in plaats van het relatief onbekende familiebedrijf uit het buitenland dat vaak wat kleiner is,” aldus Mirelle Pennings, Directeur Corporate Clients Nederland bij Rabobank. Cultuur speelt ook een rol, legt Pennings uit. “In landen met veel interpersoonlijk vertrouwen, zoals Denemarken en Duitsland, krijgen familiebedrijven juist gemakkelijker toegang tot de arbeidsmarkt. Dat geldt ook voor lokale financiering.”

Over het familiebedrijvenonderzoek
De uitkomsten van het familiebedrijvenonderzoek zijn gebaseerd op twee recente studies van het Erasmus Centre For Family Business (ECFB). De eerste studie brengt voor een groot aantal landen in kaart hoe aantrekkelijk het sociale en economische klimaat is voor familiebedrijven in het bijzonder. Voor dit onderzoek zijn drie stappen doorlopen. Eerst werd voor 49 verschillende landen bepaald of familiebedrijven in die context beter of slechter presteren dan niet-familiebedrijven. In een tweede stap werd die ‘familiebedrijvenbonus-malus’ gerelateerd aan een aantal formele (bij wet geregelde) en informele (culturele en sociale) vestigingsfactoren. In een derde stap werd op basis van de factoren die een significante invloed hadden op familiebedrijfsprestaties een internationale index gecompileerd, waarbij ook de gegevens zijn meegenomen voor landen buiten de oorspronkelijke set van 49 landen. De tweede studie is kwalitatief van aard en bedoeld om te leren hoe ondernemende familiebedrijven hun activiteiten naar het buitenland verleggen. Er is gekozen voor een onderzoek met de focus op bedrijven uit Nederland, Italië en Zwitserland.