Lokale ondernemers en familiebedrijven zijn een belangrijke motor van onze lokale economie. Het nieuwe regeerakkoord, met als credo “vertrouwen in de toekomst”, lijkt op het eerste oog gunstig voor ondernemers en familiebedrijven. Maar is dat ook zo? Wat betekent het nieuwe regeerakkoord voor ondernemers en familiebedrijven? Hieronder worden een aantal aspecten nader toegelicht De nieuwe regering zet in op een verdere tariefsverlaging van de vennootschapsbelasting. Opvallend is dat deze tariefsverlaging pas vanaf 2019 gefaseerd wordt ingevoerd, en de reeds definitief geworden schijfverlenging per 1 januari 2018 wordt teruggedraaid. Per saldo is er in 2018 dan dus niet minder vennootschapsbelasting verschuldigd dan in 2017. Ter financiering van de tariefsverlaging worden een aantal maatregelen genomen die per saldo de grondslag verbreden. Zoals bijvoorbeeld de beperking van de termijn van verliesverrekening naar zes jaar en de afschrijvingsbeperking voor gebouwen in eigen gebruik (aangekondigd is om de afschrijving te beperken tot 100% van WOZ waarde).

Vanwege de tariefsverlaging in de vennootschapsbelasting wordt het belastingtarief in box 2 (belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang) verhoogd van de huidige 25% via 27,3% in 2020 naar 28,5% in 2021. Op deze maatregel is veel kritiek omdat veel familiebedrijven geen dividend uitkeren maar de winst herinvesteren in het bedrijf of aanhouden voor slechtere tijden. Familiebedrijven zijn namelijk veelal georiënteerd op lange termijn continuïteit in plaats van korte termijn winstmaximalisatie.

Het regeerakkoord omvat ook een aantal maatregelen op het gebied van de arbeidsmarkt: loondoorbetaling bij ziekte, flexibiliteit rondom arbeid en maatregelen op het gebied van ontslagrecht. Deze maatregelen moeten ondernemers weer in staat stellen om met minder belemmeringen mensen aan te nemen. Los van het steeds groter wordende tekort aan gekwalificeerd personeel, kunnen de huidige loondoorbetalingsplicht van twee jaar bij ziekte en het rigide ontslagrecht vandaag de dag een grote belemmering vormen voor ondernemers om mensen aan te nemen.

Het nieuwe kabinet gaat de loondoorbetalingsplicht bij ziekte voor kleine bedrijven (tot 25 werknemers) terugbrengen van 2 jaar na 1 jaar (dus van 104 weken naar 52 weken), zo staat in het regeerakkoord. Zo moet het makkelijker worden voor mkb-ondernemers om personeel aan te nemen, waar nu terughoudendheid bestaat in het aannemen van personeel vanwege het financiële risico. Wel moeten kleine werkgevers straks een “uniforme lastendekkende premie” betalen. Dit moet het mogelijk maken voor het UWV om de loondoorbetaling in het tweede jaar over te nemen.

Daarnaast gaat het nieuwe kabinet het ontslagrecht versoepelen. Het is voor een ondernemer soms erg ingewikkeld geworden om iemand te ontslaan. Ondernemers lopen bijvoorbeeld tegen situaties aan waarin op basis van elk van de afzonderlijke bestaande ontslaggronden onvoldoende wettelijke basis is voor ontslag, maar waar wel bij meerdere gronden gedeeltelijk sprake is van problemen (bijvoorbeeld verwijtbaar handelen gecombineerd met disfunctioneren en een verstoorde arbeidsrelatie). In die “combinatie”-gevallen moet het mogelijk zijn om de rechter de afweging te laten maken of het van een werkgever verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten of dat ontslag gerechtvaardigd is op basis van de cumulatie van omstandigheden genoemd in de verschillende gronden.

Keerzijde van de versoepeling van het ontslagrecht is dat wordt gesteld dat rechters een hogere ontslagvergoeding kunnen toekennen. De rechter kan een extra vergoeding toekennen van maximaal de helft van de transitievergoeding (bovenop de al bestaande transitievergoeding).

Ook zouden werknemers vanaf het begin van hun arbeidsovereenkomst recht krijgen op een ontslagvergoeding, in plaats van na twee jaar. Deze transitievergoeding gaat voor elk jaar in dienstverband een derde maandsalaris bedragen, ook voor contractduren langer dan 10 jaar. Hierbij worden wel diverse uitzonderingen opgenomen, zoals bijvoorbeeld een compensatie voor werkgevers voor verschuldigde transitievergoeding bij ontslag van een werknemer wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.

Verder staat in het regeerakkoord dat werkgevers pas na drie jaar een vast contract hoeven aan te bieden, in plaats van twee jaar nu. Werkgevers zijn nu vaak huiverig om iemand na twee jaar al een vast contract te geven en doen dit dan ook vaak niet. Een vast contract na drie jaar zou dat effect moeten verminderen.

Ondernemen in een familiebedrijf kan uitdagend zijn. Familie, bedrijf en eigendom lopen door elkaar heen. Vele zaken zoals bijvoorbeeld familiale spelregels kunnen van belang zijn, maar zeker ook wettelijke kader, waaronder het regeerakkoord.