Op 31 januari jl. is de nota naar aanleiding van het verslag over de Nederlandse implementatiewet van de EU vierde anti-witwasrichtlijn (het UBO-register) gepubliceerd. Hoewel dit document nog niet de formele wetgeving is zoals die in Nederland wordt ingevoerd, bevat het document wel een indicatie van de invulling van de UBO-definitie. Samen met het op 31 maart jl. gepubliceerde conceptwetsvoorstel, worden de contouren van het UBO-register steeds duidelijker. Niels Govers en Denny van der Heijden van family office Clavis lichten de nieuwe ontwikkelingen omtrent de UBO toe.

De nota bevestigt nogmaals dat het wetsvoorstel tot invoering van het UBO-register in de eerste helft van 2018 wordt aangeboden aan de Tweede Kamer. Voor de UBO-definitie geeft de Staatssecretaris aan dat in de vierde anti-witwasrichtlijn is bepaald dat een UBO elke natuurlijke persoon is die de uiteindelijke eigenaar is van of de uiteindelijke zeggenschap heeft over een cliënt, dan wel de natuurlijke persoon voor wiens rekening een transactie of activiteit wordt verricht. Het betreft onder meer natuurlijke personen die een aandelenpositie of eigendomsbelang van 25% of meer houden in een vennootschap of andere juridische entiteit, of natuurlijke personen die op basis van een vergelijkbaar percentage aan stemrechten de uiteindelijke zeggenschap hebben in een vennootschap of juridische entiteit. Dat wil echter niet zeggen dat natuurlijke personen die een lager percentage aan aandelen, stemrechten of eigendomsbelang in een vennootschap of juridische entiteit houden, niet als UBO kunnen worden aangemerkt. Als deze personen op andere wijze de uiteindelijke zeggenschap in een vennootschap of juridische entiteit hebben, bijvoorbeeld op basis van contractuele betrekkingen, kwalificeren zij eveneens als UBO. Zo kan bijvoorbeeld door het uitoefenen van overheersende invloed in de praktijk of vanwege de bevoegdheid het hoger leidinggevend personeel te benoemen of ontslaan een natuurlijk persoon als UBO worden aangemerkt.

Uitzonderlijke gevallen

Verder kunnen er gevallen zijn waarin het onmogelijk is een natuurlijke persoon aan te duiden die het uiteindelijke eigendom of de uiteindelijke zeggenschap heeft in een vennootschap of andere juridische entiteit. In dergelijke, uitzonderlijke, gevallen kunnen instellingen, na uitputting van alle beschikbare middelen en mits er geen gronden voor verdenking bestaan, het hoger leidinggevend personeel als UBO aanmerken. Daarmee beoogt de richtlijn te waarborgen dat er in alle gevallen een of meerdere natuurlijke personen als UBO wordt of worden aangemerkt. In het geval van trusts en soortgelijke juridische constructies kwalificeren in ieder geval de oprichter(s), trustee(s), de eventuele protector en de begunstigden (of personen in een vergelijkbare positie) als UBO. Bij algemene maatregel van bestuur zal per type vennootschap en juridische entiteit worden bepaald wie ten minste dient te worden beschouwd als UBO.

De nota naar aanleiding van het verslag geeft aan dat de wettelijke invoering van het UBO-register nu erg dichtbij komt en steeds concretere vormen aanneemt. Het wordt nu dan ook zaak om te gaan voorsorteren op de komst van het UBO-register!